Een coproductieverdrag is geen bureaucratische formaliteit. Het is de stille architectuur onder de films die het Europese geheugen, de taal en het landschap naar een publiek over het hele continent en daarbuiten dragen.
Hoe het kader ontstond
De Europese filmindustrieën zijn altijd kwetsbaar geweest. Ze worden geconfronteerd met concurrentie van grote commerciële markten en dragen het gewicht van tientallen talen, geschiedenissen en artistieke tradities. Het fundamentele juridische instrument, het Europees Verdrag inzake cinematografische coproductie, werd opengesteld voor ondertekening in 1992, trad in werking in 1994 en is door 43 Europese landen ondertekend. Dat netwerk bracht iets opmerkelijks tot stand: een gedeelde juridische basis waarop producenten uit verschillende landen samen één film konden maken en deze in elk partnerland als een legitiem nationaal werk konden laten erkennen.
Door een platform te bieden om cinematografische coproducties systematischer en makkelijker op te zetten, is de bijdrage van het Verdrag van 1992 aan de coproductiesector, en daarmee aan de Europese cinema als geheel, fundamenteel geweest voor het succes ervan. Het verdrag verminderde niet simpelweg het papierwerk. Het gaf kleinere landen, met kleinere filmbudgetten, een manier om deel te nemen aan grotere, ambitieuzere projecten. Het beloonde samenwerking als een culturele daad.
Het verdrag functioneert via een puntensysteem waarmee een film als Europees kan worden gedefinieerd en zo toegang krijgt tot de voordelen van het verdrag. Die voordelen zijn niet triviaal. Ze omvatten toegang tot nationale filmfondsen, investeringsverplichtingen voor televisie en de eigen steunmechanismen van de EU.
Wat het betekent voor een film om "Europees" te zijn
De vraag of een film Europees is, heeft reële gevolgen. Het belang van de status "Europees" wordt benadrukt, waardoor het voor een film mogelijk wordt om te profiteren van EU-quota voor uitzendingen en VoD onder de Richtlijn audiovisuele mediadiensten. Streamingplatforms die in Europa actief zijn, moeten voldoen aan inhoudsquota, en officieel erkende coproducties tellen mee voor die quota in elk partnerland.
Europese coproducties kunnen profiteren van het filmfinancieringssysteem van een land, waaronder selectieve regelingen, automatische steun voor de binnenlandse producent en distributeur, en investeringen van nationale televisiezenders. In Frankrijk moeten Canal+ en zenders via de ether bijvoorbeeld een percentage van hun jaarlijkse inkomsten investeren in Franse en Europese films. Een film die in aanmerking komt onder het kader van het coproductieverdrag, krijgt toegang tot deze stroom van financiering die direct voortvloeit uit de omroepwetgeving.
Bovendien suggereert onderzoek dat coproducties beter presteren dan hun nationale equivalenten, grenzen overschrijden en een groter internationaal publiek bereiken. Dit is de fundamentele belofte van het verdrag: niet alleen financiële toegang, maar een groter bereik voor verhalen die het verdienen om gezien te worden.
De herziening die Europa opende voor de wereld
Sinds de aanname van het Verdrag van 1992 is het landschap van de Europese filmproductie ingrijpend veranderd. Nieuwe technologieën veranderden technieken voor productie, distributie en vertoning, overheidssteun op nationaal en regionaal niveau evolueerde, en fiscale stimuleringsmaatregelen namen toe. Het verdrag moest meegroeien.
Het herziene Europees Verdrag inzake cinematografische coproductie werd aangenomen op 29 juni 2016 en opengesteld voor ondertekening op 30 januari 2017. De belangrijkste verandering betrof de geografie. Het herziene verdrag staat nu open voor toetreding door niet-Europese landen. Dit betekent dat een producent in Latijns-Amerika, Zuid-Afrika of Australië nu kan deelnemen aan een officieel erkende Europese coproductie onder één juridisch kader, in plaats van te moeten vertrouwen op een lappendeken van bilaterale overeenkomsten.
In oktober 2018 trad het herziene verdrag in werking. Tot de belangrijke wijzigingen in dit herziene verdrag behoren nieuwe regels voor de maximale en minimale participatiepercentages voor multilaterale en bilaterale coproducties. Het verdrag versoepelde de voorwaarden voor minderheidscoproducenten en verlaagde hun minimale deelname naar 5% bij multilaterale coproducties en 10% bij bilaterale afspraken. Deze lagere drempel maakte het voor kleinere nationale industrieën haalbaar om bij te dragen aan ambitieuze projecten die ze anders nooit alleen hadden kunnen financieren.

Deskundig perspectief op de waarde van het coproductieverdrag
Het juridisch kader voor internationale coproducties is veel meer dan een technisch document. Het is het fundament waarop de diversiteit van de Europese cinema rust. Wanneer producenten uit Portugal, Polen en Griekenland een project delen onder de paraplu van het verdrag, delen ze niet simpelweg de kosten. Ze bundelen creatieve tradities, nationale doelgroepen en culturele legitimiteit. Het puntensysteem van het verdrag beloont deze oprechte samenwerking. Films die uit deze partnerschappen voortkomen, dragen een gelaagde identiteit die puur nationale producties niet kunnen evenaren. Voor het publiek betekent dit rijkere verhalen. Voor de industrie betekent het toegang tot financiering, distributie en quota die anders onbereikbaar zouden zijn. Het verdragsnetwerk is, in de meest directe zin, een van de grote successen van het Europese cultuurbeleid.
Perspectief uit de sector, professionals in het Europese audiovisuele en filmbeleid
Het MEDIA-programma als motor voor verspreiding
Een coproductieverdrag creëert de juridische en financiële voorwaarden voor het bestaan van een film. Het MEDIA-programma van de EU helpt die film vervolgens op reis. Al jaren is het MEDIA-programma van Creative Europe de belangrijkste EU-steun voor filmmakers, die films helpt hun nationale grenzen te overschrijden en nieuw publiek te vinden.
MEDIA ontvangt het grootste deel, minimaal 58%, van het budget van Creative Europe. Het budget van MEDIA voor 2024 is ongeveer 186 miljoen euro. Een deel wordt toegewezen aan het ondersteunen van filmontwikkeling via slate-ontwikkelings- of co-ontwikkelingsprogramma's, maar het grootste deel van het MEDIA-geld gaat naar de ondersteuning van de verspreiding van Europese inhoud, waarbij distributie het grootste aandeel krijgt.
Sinds 1991 heeft Creative Europe MEDIA meer dan 2.6 miljard euro geïnvesteerd in de film- en audiovisuele sector om de ontwikkeling, promotie en distributie van Europese werken binnen Europa en daarbuiten te ondersteunen. De jarenlange steun heeft het concurrentievermogen van de sector versterkt en bijgedragen aan het verrijken van de culturele diversiteit van Europa. Samen vormen het verdrag en het MEDIA-programma een ecosysteem. Het verdrag geeft een film zijn identiteit. MEDIA geeft het een publiek.

Conclusie: het verdragsnetwerk en de toekomst van de Europese cinema
Het netwerk van coproductieverdragen is een van de belangrijkste en meest ondergewaardeerde structuren in het Europese culturele leven. Het beschermt de cinematografische diversiteit tegen de druk van een wereldwijde contentmarkt die uniformiteit beloont. Het stelt een Griekse regisseur, een Ierse producent en een Nederlandse cameraman in staat om een film te maken die, juridisch en cultureel, toebehoort aan elk van hun landen. Elke dergelijke film is een daad van Europese beschaving: het bewijs dat onze verschillen, samengebracht, iets fundamentelers voortbrengen dan wat enige nationale traditie alleen zou kunnen bereiken. Als u de rijkdom van de films waardeert die uw scherm bereiken, verdient het coproductieverdrag uw aandacht, uw respect en uw steun. Ontdek hoe dit netwerk de kunst vormgeeft die ons definieert.












